Gaea

P1020277Door experimenten van de magiërs dreigt de planeet Gaea (spreek uit “ga-e-a”) uiteen te scheuren want de magie is aan het weglekken. Er wordt een poging gedaan om vier ten dode opgeschreven mensen van de aarde naar Gaea te halen, want zij zijn de enige die deze wereld van de ondergang kunnen redden. Ondanks dat er weinig magie over is lukt het Barlin, heerser van Gaea, om samen met zijn krachtveld beheerders de vier “Aardgeesten” over te brengen naar Gaea.  Zij krijgen elk apart opdracht zijn wereld van de ondergang te redden. Alle vier krijgen ze iets mee van de magie die nog over is op deze kleine planeet om hen te helpen in hun queeste. Ook worden zij bijgestaan door Lempitha met haar zwaard Vuurdans, Lorkan de enorme Bergtrol en Zekor de dwerg.  Een van de vier die op het punt staat te sterven is Merlijn, een verzekeringsagent uit Engeland, op aarde krijgt hij een een auto ongeluk. Merlijn komt in het bezit van een magische staf, maar hoe moet hij dat ding aan de gang krijgen. Marlie komt uit Holland, zij staat op het punt om te komen bij een parachute ongeval als zij wordt overgebracht naar Gaea. Daar krijgt zij de magie van het genezen, maar zij merkt al snel dat deze gave erg gevaarlijk kan zijn. Kiro is een reusachtige zwarte safarileider uit Kenia. Een stroper staat op het punt hem te doden, als laatste ziet hij de mondingsvlam van het pistool. Op Gaea komt hij weer bij in de Kluspit, een kroeg. Daar ontmoet hij Zekor de dwerg en ze raken bevriend. Als laatste komt Alice aan samen met haar partner Jonnie.  Zij komen uit New-York waar ze in een vuurgevecht verwikkeld waren met gangsters. Jonnie werd dodelijk getroffen en bij aankomst op Gaea begraaft zij hem aan de oever van het meer Chincoka. Het liefst zou zij zelf ook zijn gestorven want Jonnie was niet alleen haar partner maar ook haar geliefde. Barlin stuurt haar met een missie  naar de Bergtrollen. Na enkele avonturen ontmoeten de eerste drie elkaar en samen met Lempitha en Zekor zoeken ze een manier om het uiteen scheuren van de planeet te stoppen en het weglekken van de magie een halt toe te roepen. Wat is Gaea voor een planeet, wat is haar geheim en wat is haar link met de aarde? Hoe kan hier magie zijn en hoe kan dat weglekken? Wie of wat is daar verantwoordelijk voor en zullen de vier Aardgeesten in staat zijn om de planeet, en dus ook zichzelf,  op tijd te redden?

ISBN: 978-90-8834-280-6
Binnenkort is dit boek ook als e-pup te verkrijgen.

Dit boek uitgebracht in eigen beheer en inmiddels zijn er veel lezers die de avonturen van Kiro, Marlie, Merlijn en Alice hebben gelezen. Dit boek is het eerste deel van een cyclus van drie.  Het tweede deel heet “Drakencirkel” en is binnenkort ook te verkrijgen als e-pub.

Hieronder staat de proloog van het boek.

 

Proloog

Lorkan wist nog net de rand van het plateau te grijpen en zichzelf voor een val in de diepte te behoeden. Kreunend van pijn en vermoeidheid hees hij zich het platform op. Om zijn vermoeide lichaam enige rust te gunnen, ontdeed hij zich van zijn reiszak en ging op de rand van het plateau zitten. Met zijn handen steunend op de koude rotsgrond volgde hij met zijn ogen de route die hij had afgelegd om hier te komen. Terwijl de nooit aflatende wind aan zijn lichaam rukte, ging zijn blik naar de grillig gevormde bergketen van Arkanti, waar Hepato in zijn vurige strijdwagen achter de bergen begon te verdwijnen. Zijn rode gloed werd verzacht door het opkomen van de manen Zorger en Gever, die al een klein stukje van hun zilverblauwe lichamen boven de uitlopers van de Heilige berg Mutta lieten zien. Twintig dagreizen voorbij de Arkantibergketen stonden, als twee ijzige naalden, de hoog oprijzende bergen Stijlpiek en Hoogpiek. Tussen deze eenzame reuzen cirkelden enkele torka’s. Deze reuzenvogels gebruikten de invallende schemering om op jacht te gaan naar voedsel voor hun jongen. Zelfs vanaf deze afstand dacht hij hun schelle jachtkreten te horen, maar Lorkan wist dat hij dit moest toeschrijven aan de koorts die zijn lichaam kwelde.
Zijn onrustige ogen gleden over het Bitterdal. Midden door het dal, duidelijk zichtbaar in het licht van de ondergaande zon en de opkomende manen, meanderde als een glinsterende zilveren draad van oost naar west de brede Goldau rivier. Het is de langste en breedste rivier van Gaea die zijn oorsprong vindt in de ruige Schaduwbergen van Navir, het Magiërsland. Enkele seconden lang bleef zijn blik rusten op de plaats waar de begroeide helling aan de voet van de Heilige Berg overging in steile rotsen van zwart graniet. Met grillig gekromde vingers klampten de manshoge guebrachostruiken zich vast aan uitsteeksels in de rotswand en trotseerden zo de eeuwige wind. Hun lange zwarte pennen krasten langs het graniet en veroorzaakten daarbij een hoog gillend geluid. Zelfs kruipers en ander ongedierte waagden zich niet tussen deze dodelijke stekels. Met moeite maakte hij zijn ogen los van het in de schemering verdwijnende tafereel. Zonder angst keek hij naar de voor hem liggende steile wand van de reusachtige berg, waarvan de piek hoog in de zwarte wolken verdween. In deze bergwand bevond zich een donkere opening, die er in het tanende licht uitzag als het oog van Methar, God der duisternis. Dat oog moest hij binnen gaan wilde hij zijn belofte inlossen.

In de dagen dat de Mutta steeds dichterbij kwam, begon de berg voor hem te leven. In zijn slaap sprak de geest van Barlin de Beginner tegen hem over dingen waarvan hij zich bij het ontwaken niets meer kon herinneren. Iedere avond offerde Lorkan de jager een deel van zijn avondmaal aan de Heilige Berg, in de hoop dat deze hem zou vertellen wat hij van hem verlangde. In de nacht voordat hij de berg bereikte, werd hij aangevallen door een gewonde ormba, het meest gevreesde dier op Gaea. Zwart als de nacht torende het monster boven hem uit. Met zijn kwijlende muil, slagtanden en vurige ogen, was dit beest een vleesgeworden verschrikking uit een kwade droom. Lorkan kon de slag van zijn enorme klauw niet helemaal ontwijken en één van de vijf centimeter lange nagels scheurde zijn borstspier tot op het bot open. Net voor de muil zich om zijn keel zou sluiten, sloeg hij het mon­ster met zijn knuppel de schedel in. Meteen veranderde het dier in de gedaante van een oude man. Het moest de geest zijn van Barlin de Beginner, wist Lorkan. De geest die hem elke nacht had bezocht en hem raadsels had opgegeven. Raadsels die hij zich na het ontwaken niet meer kon herinneren. ‘Beklim de Heilige berg en ga naar binnen,’ fluisterde de geest, ‘het einde van je zoektocht bevindt zich daar. Diep in de berg ligt Vuurglas, brenger van vrede over alle rassen van Gaea. Breng het naar je stam en bewaar het tot de Maangodin het komt opeisen. Zij zal het teken dragen van Zorger en Gever.’
Vele hartslagen lang zat Lorkan in de stromende regen naast de stervende man en terwijl het leven uit het magere lichaam wegvloeide deed hij zijn belofte. De volgende ochtend was er niets meer te vinden van de ormba of de geest van Barlin de Beginner. Zijn wond was er nog wel en be­zorgde hem helse pijnen. Met trillende vingers pakte Lorkan een lichtpot uit zijn reiszak en een kleine stenen kruik met vuurvloeistof. Het takje dat hij in de vloeistof doopte ontbrandde na enkele ogenblikken spontaan en voorzichtig ontstak hij daarmee de lont van gedraaide dirbapezen. De rest van de vloeistof borg hij zorgvuldig op, want hij wist niet hoe lang zijn tocht in de berg zou duren. In uiterste nood kon hij een fakkel maken van wat Dirbavellen en het restant van zijn vuurvloeistof. Hij hees de zware reiszak over zijn schouder en stapte resoluut op de donkere opening in de berg af. Met moeite perste hij zijn enorme gestalte door de smalle spleet naar binnen. Vreemd genoeg was het binnen warmer dan hij verwacht had en met ingehouden adem wachtte hij tot zijn ogen aan het duister gewend waren. De ruimte waarin hij stond was niet groot, de wanden waren ruw en bezaaid met puntige uitsteeksels. Bij het weinige licht van de brandende lont kon hij niet zien waar de wanden eindigden en het plafond begon.
Langzaam liep hij naar voren De grot werd smaller en even later kon hij ook het plafond zien. Hij bevond zich nu in een gang waar de vlam van zijn lichtpot vreemde schaduwen op de rotsmuren wierp. Tientallen schaduwarmen grepen naar hem en zijn lichaam verkrampte van angst. Maar Lorkan was een jager en gewend om zijn angsten te overwinnen. Hij wist ook dat een jager die geen angst kende, al snel een dode jager zou zijn. Tijd had geen betekenis meer voor hem. Het konden uren zijn geweest dat hij door de onverlichte gangen van de berg zwierf, maar ook dagen. Zijn metgezellen waren schaduwen en niets anders verbrak de stilte dan de geluiden die hij zelf maakte. Hij dwong zijn benen om zijn vermoeide lichaam door de eindeloze gangen te dragen en slechts als de pijn ondragelijk werd ontsnapte er wat geluid tussen zijn opeengeperste lippen vandaan. Zijn wond zweerde hevig en het gif dat door zijn bloed stroomde ver­zwakte zijn lichaam en geest. Sinds het begin van zijn zwerftocht had hij tientallen gangen en kamers doorkruist. Grote lichtgevende vlakken met kleurige lijnen hingen overal aan gladde muren. Soms versperde een muur hem de weg, maar hij ontdekte dat deze muren verplaatst konden worden door zijn hand over een kleine opening te strijken. Stemmen riepen naar hem, maar hij kon nooit ver­staan wat ze hem probeerden te vertellen. Angst begon bezit te nemen van zijn geest, angst om te sterven voordat hij zijn taak had volbracht. Uitgeput, hongerig en met een door koorts geteisterd lichaam, kwam hij uiteindelijk in een grote ronde zaal terecht. Een plek waar hij geen sissende doorgang meer kon vinden. Lorkan begreep dat hij zijn doel bereikt had en uitgeput liet hij zich op de koude grond zakken. Net voor de duisternis bezit nam van zijn geest, zag hij Barlin de Beginner op een troon zitten, omgeven door een krans van licht.

Stevige handen trokken de grote krijger in zittende positie met zijn gezicht naar een van de beeldschermen toe. Met moeite wist de vrouw het stugge dirbavel van zijn schouders los te trekken en sceptisch bekeek ze zijn zwerende wond. ‘Je hebt hem erg hard aangepakt. Zijn wond ziet er niet best uit, hij zal zeker enkele dagen in die machine van jou moeten verblijven.’ Het was de stem van een jonge Viskrinse vrouw. Met lange gouden haren tot op haar schouders en een huid zo zacht als zijde, roemde iedereen van het Viskrinse volk haar schoonheid. Alle andere volkeren van Gaea roemden slechts haar strijdlust, want schoonheid werd door elk volk anders gezien. Vrijwel alle Viskrinners leefden van de visserij en alles wat daar omheen gebeurde, want Viskrin bestond voor tien procent uit land en negentig procent uit water. De smalle landstroken, die alle meren omringden, werden gebruikt voor het bewerken van vis en het winnen van olie uit visresten. Daaruit ontstonden nevenindustrieën, zoals het drogen en bewerken van de leerachtige huiden van de grote krachvissen en het maken van speer en pijlpunten uit de harde botten van vele vissoorten. Zelfs de van visribben gemaakte bogen waren tegenwoordig een gewild artikel. Viskrin had vele beroemde strijders voortgebracht, zowel mannen als vrouwen. De beroemdste Viskrinse strijdster van dit ogenblik boog zich over Lorkan en bekeek zijn wonden met een kritische blik.
‘Ik moest wel, als mijn plan wil slagen moet er een mythe ontstaan en kan ik niet zachtzinnig te werk gaan. En bovendien,’ grinnikte de oude man op de troon, ‘was zijn geest weerbarstiger dan ik voorzien had. Ik heb wat magie moeten gebruiken om hem zover te krijgen dat hij de berg in ging. Twee dagen in de generator Lempitha, dan is hij geheeld en kan jij voorlopig weer je oude leven oppakken. Je hoeft pas weer te komen als het tijd is om de vier Aardgeesten hierheen te halen.’
‘Een ingewikkeld plan Barlin, ik hoop dat je weet, wat de consequenties zijn als het mislukt.’
‘Die weten alleen jij en ik Lempitha, de Raad is niet van alles op de hoogte, er zit daar een verrader zoals je weet. Nee, we moeten het doen zoals we hebben afgesproken. Als de berekeningen kloppen trekt de scheuring door Mutta of er vlak langs, dit apparaat moet in veiligheid worden gebracht. Het bevat genoeg energie om onze wereld te vernietigen of te helen en als het ooit uitgeput raakt kan het nieuwe energie verzamelen. Bij de Trollen ligt het veilig tot we het weer nodig hebben. Laat mij niet in de steek Lempitha.’
‘Ik mopper maar wat Barlin, ik weet dat we geen keus hebben. Als we niets doen is onze wereld ten dode opgeschreven. Kom, laten we hem naar jouw helse machine brengen, dan kan het spel beginnen.’

Met een schok kwam Lorkan weer bij bewustzijn. Als eerste viel het hem op dat hij geen pijn meer voelde. Zijn tastende vingers gleden over zijn borstkas, daar kon hij geen wond meer ontdekken. Behoedzaam om zich heen kijkend bleef hij enkele ogenblikken doodstil liggen. Leefde hij nog of had hij het grote rijk van zijn voorvaderen betreden? Lorkan de jager had al vele malen de dood in de ogen gezien. Sinds zijn aankomst bij de berg had hij al zoveel vreemde magie meegemaakt, dat hij besloot om het vraagstuk van zijn dood voorlopig uit te stellen. Hij moest zijn belofte aan de geest van de berg inlossen door Vuurglas te vinden. Ook al had hij geen idee waar hij moest zoeken en hoe hij Vuurglas kon herkennen. Felle zonnen schenen op hem neer. Metalen voorwerpen met lichtgevende ogen hingen aan de muren en lieten kleuren en vreemde tekens zien waar hij niets van begreep. Er was echter geen angst meer in zijn geest. Op een van die beelden zag hij een boot zonder zeilen. De boot verplaatste zich razendsnel over het water van een blauw meer. Vreemd geklede mensen zwaaiden naar hem. In hun handen klemden ze dunne knuppels waarmee ze naar anderen wezen en waar kleine vlammetjes uitkwamen. Het leken wel spelende kinderen en Lorkan moest er bijna om lachen.

Opeens veranderde het beeld in een vliegende torka, maar dan zonder vleugelbeweging. In de buik van deze grote vogel ging een luik open en tot zijn schrik zag Lorkan haar berijder naar beneden vallen.

Het beeld wisselde weer en Lorkan zag een boot met twee Viskrinners uiteenspatten tegen een zwarte bergwand. Eén van hen vloog door de lucht en kwam al rondtollend op hem af. Het lichtgevende oog brak in honderden stukjes uiteen en opeens stond er een jonge, blonde vrouw voor hem. Dat moest toch wel een godin zijn? Er hing een krans van licht om haar, zoals hij die vaak had gezien om de manen Zorger en Gever. Geschrokken sprong Lorkan overeind en deinsde achteruit. Hij struikelde en kwam met een doffe dreun op de grond terecht. Met grote ogen van schrik en verbazing staarde de grote krijger de godin aan. Haar heldere lach bracht hem weer helemaal bij zijn positieven en zich bewust van zijn vernederende positie krabbelde hij snel overeind. ‘Vrees niet Lorkan van Avarest,’ zei de godin. ‘Ik ben slechts een boodschapper uit de toekomst. Hier in mijn handen draag ik “Vuurglas” die jij en je stam moeten bewaken tot de dag dat het door mij, de “Maangodin,” wordt opgeëist. Ik zal het teken dragen van Zorger en Gever en mijn tranen zullen de manen beroeren. Niemand anders dan de Waker en ik mogen Vuurglas aanraken. Aan de Wakers worden krachten toegekend ter bescherming van dit magische artefact. Jij zult de eerste zijn om het te beschermen en na jou je zonen en zij zullen allen Lorkan heten. Kom naar mij toe en leg je handen op Vuurglas.’
Aarzelend naderde Lorkan de gestalte van de godin, die doorzichtiger leek te worden naarmate hij dichterbij kwam.
‘Snel nu waker van Vuurglas, er is niet veel tijd meer.’
Een laatste aarzelende stap bracht Lorkan bij de Maangodin en hij legde zijn handen om Vuurglas. Zijn handen waren zo groot dat Vuurglas er bijna in zijn geheel in verdween. Even raakte hij hierbij de handen van de Maangodin aan en een tinteling trok door hem heen. Haar lichaam begon te vervagen en in haar plaats verscheen een zwarte man.
‘DNA vastgelegd,’ klonk een sonore stem. Meteen daarna loste de zwarte man op in het niets en om Lorkan heen doofden alle schermen en lichten. Slechts een zwak schijnsel uit de muren bleef over. Enkele ogenblikken lang stond de grote krijger als verdoofd voor zich uit te staren met zijn handen om Vuurglas geklemd. Hij schudde zijn hoofd en langzaam begon het tot hem door te dringen dat hij weg kon gaan. Voorzichtig borg hij Vuurglas in zijn reiszak en begon aan zijn terugtocht. Die tocht duurde verrassend kort, want al na enkele uren bereikte hij de grot waar zijn avontuur in de berg was begonnen. Geen enkele keer had hij geaarzeld bij de keuze welke kamer of gang hij zou nemen. Hij zag daglicht door de opening naar binnen stromen en hij wist dat er vele dagen waren verstreken sinds het begin van zijn tocht door de berg. Zonder aarzelen wrong hij zich door de smalle opening en eenmaal buiten inhaleerde hij de frisse, vochtige lucht van Gaea. Zijn knuppel lag bij de ingang op hem te wachten. Met de knuppel in zijn hand spreidde hij zijn armen en brulde de overwinningskreet van de Grote Bergtrollen. Meteen daarna ging Lorkan op jacht en ving een vette dirba. Hiermee stilde hij zijn enorme honger en daarna begon hij aan zijn tocht terug naar Avarest, zijn dorp in de bergen van Arkanti. Zijn naam zou voor eeuwig geroemd worden en door hem zou zijn stam belangrijk worden en een nieuwe godin aanbidden, de Maangodin.

‘Dat was een aardig stukje wat je daar opvoerde Lempitha, bij de stam van de Wakers zal Vuurglas veilig zijn tot “de vier” het nodig hebben.’
‘Ja Barlin, een beetje toneel en de kracht van mijn zwaard hebben mij al menige overwinning bezorgd. Maar de volgende stap in het plan zal je zelf moeten maken, ik kan je daar niet bij helpen. Het is nu aan jou om de juiste mensen naar Gaea te halen en als je daar in faalt dan kan de tweede scheuring fataal zijn. Je krijgt maar één kans, benut deze kans goed, anders is onze wereld ten dode opgeschreven.’
‘Het spel is in gang gezet Lempitha,’ zei Barlin met een vermoeide klank in zijn stem, ‘de toekomst is door ons ook maar in beperkte mate te beïnvloeden. Daar zijn we te veel kennis voor kwijtgeraakt. Gelukkig konden we dit laatste artefact nog redden en veilig stellen.’
‘Je weet mij te vinden als het moment is aangebroken, Barlin.’
‘Nog maar een paar honderd jaar, Lempitha,’ grinnikte de zacht wegstervende stem van de Heerser over Gaea.

Tot zover. Als u wil weten hoe het verder gaat moet u het boek downloaden.

 

 

Reageren is niet mogelijk